Northern Legends & Mythology

I have a passion for writing and the  Legends and Mythology of the Northern European Country’s.

I would love to share information on this subject and on the Historic Novel I am writing.

I am especially interested in Northern Legends and Mythology in (pre)Viking times. The novel is situated in 7th-8th century Scandinavia and the Baltic. The lifes, loves, travels and battles of 3 generations of a Royal Family originated from Gotland will be unfold. The story is based on Scandinavien Saga’s, medieval records and archeological remains and interpretation.

Probably the novel will be split in two or be a trilogy. Going back in History and writing is like weaving the thread of fate as the Norns does. While weaving a web is created because the fate of one Person is interconnected to the fate of many other people.  That means that the greater story of my Heroïnes is interwoven with smaller ‘histories’ of people and affairs in the area around the Baltic Sea.

I am sorry, some articles will be posted in Dutch. I try to publish most in English too (do not hesitate to give hints to improve my English grammar) . The novel is being written in Dutch. Hopefully I will be able one time to publish it in English too.

 

I am using a pseudonym. One of the reasons is because this name is unique (on the web) unlike my real name.

 

De laatste overlever; de indiaan van het gat

indiaan gatIk las het boek ‘Rooksignalen’ van de Nederlandse journaliste Ineke Holtwijk die woont en werkt in Brazilië. Het gaat over een klein aantal overblijvers van Indianenvolken in de provincie Rondonia waar het tropisch regenwoud in drastisch tempo is weggekapt. Ik werd in het bijzonder geraakt door het verhaal over de indiaan van het gat.

Veel tropisch regenwoud in Brazilië is afgelopen tientallen jaren verdwenen en heeft plaatsgemaakt voor weides met vleeskoeien en sojaplantages. Er leefden een paar honderd verschillende indianenstammen in dit Amazonewoud. Velen vluchten voor de bulldozers en ronkende kettingzagen, anderen gingen werken voor rubberconcessies, in de houtkap of voor grootgrondbezitters. Niet weinig stierven door het contact met de nieuwkomers en exploitanten. Door de ziektes die ze meebrachten, door uitbuiting en geweld. De indianen die contact vermeden werden voortgedreven door de indringers die de bomen omverhaalden, en kwamen terecht in bossen die minder uitgestrekt waren en werden ingesloten door mega-landerijen en plantages van grootgrondbezitters.
In Brazilië bestaat er vanuit de overheid een stichting die ten doel heeft de inheemse bevolking te beschermen, de Funai. Vanaf ongeveer eind jaren tachtig zijn ervaren medewerkers gaan beseffen dat diep in het regenwoud levende stammen het best af zijn om geïsoleerd te blijven en beschermd te worden tegen invloeden van buitenaf. Contacten met de moderne buitenwereld hebben in het algemeen vooral tot ellende geleid. De Braziliaanse overheid heeft toen besloten dat indianen het recht hebben om op oorspronkelijke wijze te blijven leven in het gebied dat al generaties lang door hun volk wordt bewoond. Als er daarom inheemsen worden aangetroffen op bepaalde plekken in het regenwoud, dan wordt bekeken hoe groot het leef- en jachtgebied is van deze mensen, en wordt dat vervolgens als reservaat vastgesteld. Dat kan dan pech zijn voor iemand die een groot gebied in de Amazone had opgekocht waarin vervolgens oorspronkelijke bewoners gelokaliseerd zijn. Deze grootgrondbezitter mag het reservaat niet betreden en moet het woud laten staan. Ook als de inheemse bevolking uit nog maar een paar mensen bestaat.
In de provincie Rondonia in Brazilië bestaat zelfs een eenmansreservaat. In een bos bij de rivier de Tanaru werd in 1996 een indiaan ontdekt die daar helemaal alleen leeft. Hij graaft diepe kuilen waarin hij scherpe houten punten plaatst om wild te vangen, hij maakt hutten en zwerfakkers waar hij mais, maniok en fruitboompjes verbouwd. Hij bezit pijl en boog om te jagen en zichzelf te verdedigen en hij haalt honing en larven uit bomen om zijn trek te stillen. Medewerkers van de Funai, die in een nabijgelegen reservaat een handjevol overlevenden van twee andere inheemse stammen ondersteunen, hebben vaak geprobeerd om contact te leggen met deze eenzame man. Maar keer op keer liet hij blijken niets te maken te willen hebben met vertegenwoordigers van de ‘moderne’ wereld. Als hij merkte dat zijn hut en akkers bezocht waren, vertrok hij om kilometers verder een nieuwe hut te bouwen en een akker aan te leggen. Geschenken als een aluminium pan of beker vernielde hij. Voedsel, zaden en snijgereedschap dat voor hem was neergelegd nam hij meestal wel mee. De paar keer dat de Funai hem toevallig aantrof, verschanste hij zich in zijn hut en schoot na lang aanhouden een pijl af. Hij leek vastbesloten om niet in te gaan op toenadering.

Men weet niet wat zijn naam is of tot welke stam hij behoort. Men is hem ‘de indiaan van het gat’ gaan noemen, omdat hij niet alleen valkuilen in het bos graaft, maar ook diepe rechthoekige kuilen in zijn hutten, waar hij blijkbaar zijn hangmat boven hangt. Of dit een functionele of misschien spirituele betekenis heeft is onduidelijk. Naar aanleiding van verhalen van anderen wordt vermoed dat hij behoorde tot een groepje van een stuk of 6 overgebleven indianen waarvan de anderen vermoord waren in 1995. Nieuwkomers schuwden er dikwijls niet voor om inheemsen die ‘de ontwikkeling’ van het gebied in de weg stonden te verjagen of desnoods om te brengen. Over ‘die paar indianen’ maakte men zich niet zo druk. Voor de overheid was het moeilijk het grote afgelegen gebied te controleren, ook was een deel van de ambtenaren corrupt of bang. Grootgrondbezitters bezitten feitelijk de macht, en verstevigen die met gewapende knokploegen en andere handlangers. Inheemsen en arme landarbeiders zijn overgeleverd aan de goedgunstigheid van deze ‘fazendeiros’. Toch kan hun lot soms een beetje beïnvloed worden door eigen kracht en de bevlogenheid en het doorzettingsvermogen van een aantal Funai medewerkers. Zo werd een reservaat van ongeveer 8000 hectares afgebakend voor de indiaan die geen contact wilde, maar waarvan de Funai wel kon bewijzen dat hij bestond. Sommigen vonden het belachelijk. Zoveel grond voor slechts één man. Het besluit werd aangevochten, maar tevergeefs. Na het juridische ongelijk in 2009 drongen mensen het reservaat binnen. Een Funai post werd doorzocht en vlakbij werden patronen van vuurwapens gevonden. De indiaan, overblijver van een volk dat ten slachtoffer is gevallen aan genocide, was andermaal aan een moordaanslag ontsnapt. In juli 2018 werd hij van een afstand gefilmd terwijl hij een boompje velde. Dat hij nog leeft is een klein wonder. Dat hij al minstens 22 jaar in zijn eentje stand houdt getuigt van kracht en vasthoudendheid. Welke gedachten, welke gevoelens en welke herinneringen heeft deze man die al zijn dierbaren en stamgenoten is kwijtgeraakt en die gekozen heeft voor een geïsoleerd bestaan? Niet omdat hij een kluizenaar is, maar omdat hij geen contact wil met anderen nadat hij zijn volk is kwijtgeraakt. Zou hij zichzelf en zijn gestorven familieleden gezworen hebben nooit meer een buitenstaander te vertrouwen? Zou hij zijn ontheemde of uitgestorven stam eer bewijzen door de traditionele levenswijze voort te zetten, al is hij misschien de laatste en houdt na hem alles op? Zou zijn diepste drijfveer wantrouwen of trots zijn?
Hoe zwaar drukt de eenzaamheid op hem? Maakt het vermoeden dat hij de laatste is van zijn volk dat nog zwaarder? Kan hij ook genieten van de rust als het werk gedaan en zijn maag gevuld is? Van de geluiden en kleuren van het woud? Misschien van een aapje of vogel die hij tam heeft gemaakt? Of kan hij niets of niemand meer liefhebben na de traumatische gebeurtenissen die hij moet hebben meegemaakt?
Hoe houdt hij het vol, wat geeft hem ‘zin’ om door te gaan in zijn eentje? Zonder hoop op een betere toekomst, zonder nakomelingen, zonder samen te lachen, zonder liefde, zonder feesten, zonder met anderen iets te ondernemen of te praten over wat je beleefd hebt of wat je bezighoudt?
Op één of andere manier is hij in staat om te Leven. Hij is gezond en krachtig, en heeft zijn hut en akker in orde. Hij is niet weggezonken in apathie, depressie of waanzin. Dan had hij zichzelf verwaarloosd en was het waarschijnlijk snel afgelopen geweest in het meedogenloze oerwoud. Sterk is hij, de indiaan van het gat. Sterk, eenzaam, fier en onverzettelijk.
Zijn wil om niet gecontacteerd te worden wordt nu gerespecteerd. Zou hij weten dat zijn gebied beschermd is, dat het verboden is zijn gebied te betreden? Dat hij misschien ook een beetje beschermd wordt door zijn bekendheid. Zijn verhaal en beeld zijn verschenen in boeken, nieuwsbladen, op youtube en wikipedia. Dat zou hem waarschijnlijk niets zeggen. En gevaar blijft er altijd. Wetten bieden geen garantie. Borden, hekken en media evenmin. Waakzaam zal hij blijven, hoe dan ook. Hij bepaalt en beschermt zijn eigen leven.
Begin 2019, toen Jair Bolsonaro als president werd aangesteld, ben ik angstiger geworden voor de veiligheid van ‘de indiaan van het gat’. Bolsonaro staat aan de kant van de grootgrondbezitters en de mensen die rijk willen worden van het hout, het goud en de andere rijkdommen van het Amazonegebied. De traditionele leefwijze van de indianen interesseert hem niet, en evenmin de grote biodiversiteit van het regenwoud. Hij verzwakte de instanties als de Funai die toe moeten zien op de naleving van wetten die het regenwoud en haar bewoners beschermen. Wetenschappers en onderzoekers worden geweerd of ontslagen. Mensen die kritiek hebben op zijn beleid probeert hij monddood te maken. De indianen die door hun reservaten ongeveer 14% van het land beheren, zijn Bolsonaro en zijn aanhangers een doorn in het oog. Er moet eerst toestemming aan de indianen worden gevraagd als men economische activiteiten op die grond wil ontwikkelen. Bolsonaro zou het liefste iets aan die grondrechten doen. Volgens hem houdt het de ontwikkeling van het land tegen (Er zijn veel arme mensen in Brazilië, maar ook zeer rijke. De inkomensongelijkheid is erg groot; de zes rijkste Brazilianen bezitten evenveel geld als de 100 miljoen armsten. Van de economische exploitatie van het regenwoud kan je ook verwachten dat de opbrengsten voor het leeuwendeel in de zakken van de rijken terecht komen). Mensen die onder Bolsonaro’s bewind illegaal grond ontginnen, kappen of  goud zoeken worden steeds brutaler. Zo’n president voelen zij als een steun in hun rug. In juli 2019 werd er een indianenleider vermoord door illegale goudzoekers. In augustus 2019 woeden meer bosbranden in het Amazone regenwoud dan andere jaren. Vooral in Rondonia staat opvallend veel bos in brand. Ik hoop dat het bos van ‘de indiaan van het gat’ niet getroffen is en dat de vuren snel doven. Alle ogen zijn nu op de Amazone gericht. Hopelijk brengt dat een kentering in de destructie van één van de gebieden met de hoogste biodiversiteit ter wereld die bovendien door het opvangen van CO2 en zijn verkoelende werking invloed heeft op het wereldwijde klimaat.

De bronnen van de eenzame heuvel

Het zonlicht, weerkaatst door het helle zand en de gepleisterde brokstukken, verblindt ons. De enige schaduw is die van onze eigen voorovergebogen lichamen. We schrapen en stoffen, erop gebrand dat we niets missen, niets beschadigen wat van grote waarde zou kunnen zijn.
Onze kleding plakt aan ons lijf. Stof zit overal.
Mijn slapen bonzen. De hitte en het monotone werk brengen me half in trance. Mijn knieën doen pijn, mijn schouders zijn stijf en mijn handen ruw. Denken gaat niet meer. Gedachten ontkiemen niet in deze onbarmhartige omgeving. Lichaam en geest raken afgestompt.

Daar is niets mis mee. Misschien ben ik daarvoor hier. Om te vergeten. Om de pijn te dempen. Op te laten lossen in de trillende hitte. Niemand kon me meer weerhouden om me uit te putten op een heuvel in een desolate grensstreek tussen Egypte en de Negev.
Mijn vader niet, mijn ex-verloofde niet.

Alleen de wind, de woestijnstorm die het fijne zand opjaagt en een gemeen zwiepend gordijn vormt, is onverdraaglijk. Plots valt zij ons aan op de veste waar wij zo geduldig voortploeteren. Haar geseling doet ons naar beneden vluchten. We proberen ons te verschuilen in onze tenten. Maar we moeten ons vastgrijpen aan de staanders, duizelig van de wervelende wind, om te voorkomen dat onze onderkomens weggerukt worden. Hoe vaak hebben wij de tenten niet proberen te verplaatsen naar de luwe zijde van de heuvel. Maar de wind is net zo onvoorspelbaar als een mens.

De bronnen zijn er nog. Al is het moeilijk voor te stellen dat hier drie millennia geleden een oase lag. Wel vinden we steeds meer aanwijzingen dat onze citadel een welkome rustplaats was voor reizigers van diverse komaf. Oude kaarten laten zien dat deze afgelegen post vroeger op een kruispunt van handelsroutes lag. Eén liep van Gaza, via Kadesh-Barnea naar Eilat. Een ander volgde de loop van Wadi Quraia. Een derde weg sloeg af richting Temed in  het zuiden van de Sinai.
Op deurposten, pleisterwerk en stenen potten hebben we inscripties gevonden. Ze’ev probeert ze te ontcijferen.

Ik ben de enige vrouw tussen vakidioten en bevlogen vrijwilligers. Er wordt ’s avonds over niets anders gediscussieerd dan over onaanzienlijke archeologisch artefacten en achtergelaten krabbels.
Ik vind dat wel prettig; die intense en beperkte focus. De teamgenoten laten mij met rust. Als ik wil kan ik vroeg naar mijn tent. Soms blijf ik nog even buiten staan om naar de heldere sterrenhemel te turen. Maar de nachtelijke woestijnkou jaagt me gauw mijn slaapzak in.

Niet zelden word ik in bed overvallen door een gevoel van nietigheid. Verzonken onder het donkere uitspansel, verloren in de uitgestrekte woestenij, losgerukt van de zekerheden en geborgenheid die ik dacht te hebben. En door angst. Bang dat ik niet genoeg voorstel in het vak, bang dat één van de mannen mijn tent binnensluipt, bang voor de ‘leeuw’ die de bedoeïenen bij tijd en wijle signaleren.
Soms vouw ik mijn handen. Maar de Heere God tot wie ik mij in mijn nederige kwetsbaarheid wil richten lijkt verder weg dan de Andromedanevel.

We hebben op de site de namen van verschillende goden gevonden. Reizigers namen hun eigen goden mee. Het ontroert me hoe mensen in het verre verleden hun dankbaarheid op de muren kerfden.

Voel ik me eenzaam? Ik denk aan de kerel die ik achtergelaten heb. Die mij verlaten had. Die mij aan mezelf had doen twijfelen. Onzeker over mijn vrouwelijkheid en capaciteiten.
Ik geloof dat ik me eerder incompleet dan eenzaam voel. Als een Yang zonder Yin.

Ze’ev is wild enthousiast. We maken overuren. In de provisiekamer van de ruïne zijn veel scherven gevonden. Het lijkt erop dat ze gereconstrueerd kunnen worden tot twee enorme voorraadkruiken. De scherven staan vol gekalkt met teksten en tekeningen.

Mijn wereld kantelt als Ze’ev vertelt over het zinsdeel dat op beide kruiken te lezen is. Er staat: Yahweh en zijn Asherah.
Er lijkt gesproken te worden over God en zijn Godin.

Er begint iets op zijn plaats te vallen.
Ik begin te begrijpen wat de perceptie van het vrouwelijke verwrongen heeft.
De Godin werd verbannen, haar naaktheid van zegen tot vloek gemaakt.

Ik speur naar meer informatie. Asherah blijkt overal te vinden. En route, in de namen Kadesh en Eilat, afgeleid van haar titels Heilige en Godin. In stereotype afbeeldingen van bomen en leeuwen die naar haar vruchtbaarheid en kracht verwijzen. In de huisaltaren waarin een zetel staat met plaats voor twee goden. In de talloze kleibeeldjes van vrouwen die hun borsten met hun handen ophouden. De Godin die schenkt van haar overvloed.
Ik kende de archeologische vondsten, maar was blind voor hun betekenis.

Ik keer huiswaarts. In mijn bagage bevindt zich de aan stof en vergetelheid ontrukte kostbaarheid die door niemand meer over het hoofd gezien zal worden; de wederhelft van God.

Oranjehotel

Eerst dacht ik dat het nieuwtje dat rond zong in het Oranjehotel het zoveelste valse gerucht was. Er werd op de buizen geklopt, er galmde klanken door van opgewonden stemmen. Ik had geen zin om op te staan en mijn oor tegen de buis te leggen om woorden en zinnen uit de holle klanken te destilleren. Om die vervolgens door te spelen naar de medegevangenen in de volgende cel. Ik was te moe. Ondervoeding maakt dat een mens spaarzaam met zijn energie omgaat. Bovendien had ik me voorgenomen geen onnodige stap meer te verzetten, sinds de moffen al mijn teennagels hadden uitgetrokken en me vervolgens op te kleine klompen hadden laten rondlopen. De mishandelingen tijdens de verhoren hadden me murw gemaakt. Ze hadden me niet kunnen breken, ik had niets prijs gegeven. Toch voelde ik me geknakt. De onmenselijke behandeling en de onzekerheid van het lot dat ons wachtte sloeg gaten in het zelfvertrouwen en de menselijke waardigheid.

 

Alleen de gedachte aan Rietje en de kleintjes hield me op de been. Dat bracht een straaltje warm zonlicht in mijn hart, maar tegelijk ook een scheut vol angst en pijn. Ik bad dag en nacht dat hen niets zou overkomen. Ook Rie was betrokken geweest bij de ondergrondse, maar was godzijdank niet opgepakt. De Duitsers hadden haar wel getreiterd. In de ochtend van haar verjaardag vertelde één van de bewakers Rie dat ik gefusilleerd zou worden. Aan het einde van de dag ging dezelfde perverse rotzak nog eens langs om te vertellen dat ze geen man meer had. Ik had de grijns van zijn gezicht willen slaan toen hij mij van zijn wrede ´witz´ op de hoogte stelde. Maar ik kon geen kant op met mijn woede. Een medegevangene die enige dagen later werd vrijgelaten heb ik een briefje in de handen kunnen moffelen om Rietje te bevrijden uit de waan dat ze weduwe was geworden.

 

Optimistische kreten van buiten de muren van de gevangenis begonnen tot me door te dringen. Het ontwaakte me uit mijn apathie, maar ik durfde nog niet te hopen. Te vaak was de hoop opgevolgd door pijnlijke teleurstelling. Om die doffe pijn te vermijden had ik geleerd mezelf niet meer mee te laten voeren door optimisme en hoop. Het uitschakelen van gevoelens leek de enige manier om niet gek te worden en te overleven op een plek waar onrecht en willekeur regeerden. Ik zag het ook bij de anderen; hun blik was soms zo wezenloos als die van vissen.

Maar het tij leek gekeerd te zijn. Het woord “Capitulatie” rolde over de lippen van een celgenoot. Het magische begrip nestelde zich in mijn hoofd en werd gestut door het rumoer dat van buiten de gevangenispoort klonk.

 

Het wachten begon. Buiten was het feest. We begonnen ons af te vragen of onze landgenoten ons vergeten waren. Uren tikten traag voorbij. Ondertussen werd de sfeer in het Oranjehotel grimmiger. De Duitsers  waren gespannen. Sommigen wilden de laatste momenten van hun overheersing benutten om hun macht te laten gelden en hun frustratie  op ons te botvieren.

Na twee slapeloze nachten kwam er eindelijk  beweging in de zaak. Celdeuren gingen open en de ‘Oranjegasten’ werden opgesteld in rijen. Vanwege mijn lengte kon ik over de meeste mannen heenkijken en zag ik dat er voorbereidingen werden getroffen om te grote poort te openen. Mijn hart veerde op. Het volgende moment werd ik uit de rij getrokken en apart gezet met vier andere mannen. Mijn tong werd droog en het leek alsof iemand mijn keel dichtkneep. Alle vier de mannen waren afkomstig uit cellen in de D-gang. De cellen voor de terdoodveroordeelden. ‘Mijn God’, dacht ik, ‘ze zijn toch niet van plan om nu nog… Ze hebben zich al overgegeven! Verlammende angst streed om de voorrang met mijn ongeloof.

 

“Mitkommen”, blafte een bewaker met een breed rood gezicht en waterige ogen. Het was een man die zich nooit uitzonderlijk wreed had opgesteld, maar voornamelijk zijn ‘plicht’ leek uit te voeren. De moed zonk me in de schoenen. Ik voelde me als een schaap dat naar de slachtbank werd geleid. Na een paar meter stopte ons vijftal omdat de bewaker in een discussie verzeild raakte met een andere Duitser. Aan het einde van de gang zag ik de kleine buitendeur waarvan bekend was dat niemand die daar door ging terugkeerde. Ik wendde mijn hoofd af in ontzetting en zag niet ver van mij de Duitser waarmee ik ooit een paar menselijke woorden had gewisseld na het bezoek van de dominee aan mijn cel. Onze ogen ontmoetten elkaar. Zijn blik was niet koud of agressief, maar had eerder iets droevigs.

 

Plots was ik niet meer het schaap dat zich weerloos naar het offerblok liet leiden, maar een kat in nood, die rare sprongen maakt en zijn vrijheid desnoods tot de dood zou bevechten. Mijn wil om te overleven was sterker dan wat dan ook. “Herr”, riep ik zachtjes, “Ich muss so ganz nötig”. Ik deed alsof ik het bijna in mijn broek deed. Hij kwam een paar stappen in mijn richting. Ik maakte me voorzichtig los van mijn groepje. “Erbarme dich”, smeekte ik. Hij pakte me stevig bij mijn arm en keek langs me heen naar zijn collega’s, die het nog steeds niet eens konden worden. Toen trok hij me met een ruk mee naar de hokjes met privaattonnen. De deurtjes waren zo laag dat ik er over heen kon kijken. Mijn begeleider maakte direct rechtsomkeert en verdween in de mensenmassa, die nu langzaam in beweging was gekomen. De deuren van de grote poort stonden wijd open! Geen bewakers bij mij in de buurt… Snel verliet ik de latrine, en probeerde snel en onopvallend de rij te bereiken die als een trage slang de poort uitkroop. Mijn hart bonsde zo hard dat het mijn broze ribbenkast had kunnen breken. Een kwartier later bereikte ik strompelend het huis van mijn zwager in het Belgisch Park. Achterop de fiets werd ik naar mijn gezin gebracht. Ik ademde de meilucht diep in. Ik leefde.Image

gratis Eboek

Van de verhalen die ingezonden zijn voor de wedstrijd die uitgeverij WBfantasy organiseerde rondom het verschijnen van het boek Thor van Hohlbein is een gratis Eboek uitgebracht.

Het zijn mooie, interessante en heel verschillende verhalen geworden. Het verhaal dat ik schreef heet ‘De gouden borstels van Hildisvin’.

Het is te downloaden via http://www.wbfantasy.nl/asgardsage/boek-i/extras

Op de pc is het te lezen met behulp van

http://www.adobe.com/nl/products/digitaleditions/

The Gutasaga, the origin of Gotland

Gotland was first discovered by a man called Thielvar. At this time Gotland was bewitched so that it sank by day and [only] surfaced at night. But that man brought fire to the land for the first time, and after that it never sank.

This Thielvar had a son called Hafthi. And Hafthi’s wife was called Whitestar. Those two were the first to settle on Gotland. The first night they slept together she dreamt that three snakes were coiled in her lap. And it seemed to her that they slid out of her lap. She told this dream to her husband Hafthi. He interpreted it thus:

“All is bound with bangles,
it will be inhabited, this land,
and we shall have three sons.”

While still unborn, he gave them all names:

“Guti will own Gotland,
Graip will be the second,
and Gunfiaun third.”

These later divided Gotland into three parts, so that Graip the eldest got the northern third, Guti the middle third, and Gunfjaun the youngest had the south. Then, over a long time, the people descended from these three multiplied so much that the land couldn’t support them all. So they selected every third person by lot to leave, with the right to keep and take away with them everything they owned except for their land. They were unwilling to leave then, but went to instead Torsburgen and settled there. But afterwards the country (i.e. Gotland) would not tolerate them, and drove them away.

Then they went away to Fårö and settled there. They couldn’t support themselves in that place, so they went to a certain island off the coast of Estland, called Dagö, and settled there and built a town that can still be seen. But they couldn’t support themselves there either, so they went up the river Dvina, up through Russia. They went so far that they came to the land of the Greeks (i.e. the Byzantine empire). They asked leave of the Greek king to stay there while the moon waxed and waned. The king granted that, thinking it was just for one month. Then after a month, he wanted to send them away, but they answered that the moon waxed and waned for ever and always, and so they said they were allowed to stay. Word of this dispute of theirs reached the queen. She said, “My lord king, you granted them permission to dwell while the moon waxed and waned; now that’s for ever and always, so you can’t take it off them.” So they settled there, and live there still, and still have something of our language.

Introductie tot de roman, deel 1

De hoofdpersoon in het eerste deel van mijn boek heet Alfhild. Zij wordt geboren in een tijd waarin de bewoonbare gebieden in Scandinavië zijn opgedeeld in kleine koninkrijkjes. Het is een tijd  waarin de Noormannen nog niet begonnen zijn aan hun grote veroveringen en rooftochten in Groot Britannië, de lage landen en Frankrijk. Wel wordt er al op bescheiden schaal handel gedreven met andere volken. Alfhild’s vader is koning van een centraal gelegen eiland, dat een steeds belangrijker handelsknooppunt wordt.

Tijdens het leven van Alfhild, haar dochter en haar kleinzoon vinden er grote geopolitieke veranderingen plaats. Er wordt gestreden om de macht te verkrijgen over veel grotere gebieden, en dat gaat niet op een zachtzinnige wijze! Als leden van een Koninklijke familie raken Alfhild en haar nakomelingen intens betrokken bij de machtsverschuivingen en moeten keuzes maken welke rollen zij hierin vervullen.

Deel één gaat over het jonge meisje Alfhild dat opgroeit tot een vrouw. Als prinses voelt zij zich al snel verantwoordelijk voor het welzijn van de bewoners van het eiland waar haar vader over regeert. Het is zowel haar karakter als haar opvoeding die Alfhild bewust maakt van haar koninklijke taak. Ze leert de betekenis van de Runen, gaat mee naar het Ding (een ‘vergadering’  waar men  consensus probeerde te krijgen over regionale kwesties en waar recht werd gesproken), maar krijgt ook les in de krijgskunsten.

Alfhild staat dicht bij de vruchtbaarheidsgodin Freya. In haar kindertijd ontwikkelt Alfhild een speciale band met een aantal dieren. Later sluit zij vriendschappen met meisjes die net als zij een sterk of eigenzinnig karakter hebben. Tijdens één van de grote religieuze feesten wordt een félag van Skjaldmeyjar (fellowship of Shield Maidens) in het leven geroepen die van groot belang blijkt te zijn als ingrijpende gebeurtenissen ertoe leiden dat Alfhild  ‘de schrik van de zee’ wordt.

Bootgraf in Schotland

Intact Vikinggraf in boot opgegraven in Schotland

21-10-2011 – Reinoud Schaatsbergen

In de boot lag het lijk van een Viking met zijn wereldlijke bezit.

Op de archeologische site Ardnamurchan in Schotland is het eerste volledig intacte Vikinggraf opgegraven. Het lijk lag in de traditionele manier Vikingmanier in een boot begraven. Het wordt gedacht dat het graf meer dan 1.000 jaar oud is.

 

Naar aanleiding van verschillende voorwerpen die in de Vikingboot zijn gevonden, waaronder een zwaard, bijl en speer, wordt ook gedacht dat het om een vooraanstaande Viking gaat. “De voorwerpen en het behoud ervan maakt dit één van de belangrijkste Noorse graven ooit opgegraven in Engeland,” aldus archeoloog Hannah Cobb.

Het begraven in een boot was een traditie bij de Vikingen.De boot waar de Viking in lag werd bijeengehouden door 200 metalen klinknagels. Het schip was ongeveer vijf meter lang. Ook vonden de archeologen nog een schild, een mes, een slijpsteen uit Noorwegen en een bronzen ring.

De opgravingen werden gedaan in het kader van de Ardnamurchan Transition Project, waarin de sociale veranderingen van de eerste boeren in het gebied (ca. 6.000 jaar geleden) worden vergeleken met die van de 18e en 19e eeuw.

Zonnestenen als kompas

‘Vikingen gebruikten zonnestenen als kompas’

Uitgegeven: 1 februari 2011 12:18
Laatst gewijzigd: 1 februari 2011 13:21

AMSTERDAM – Vikingen navigeerden op zee waarschijnlijk met behulp van stenen waarmee ze de stand van de zon bepaalden. Dat hebben Hongaarse wetenschappers aangetoond.

 

© Thinkstock

Met behulp van doorschijnende kristallen en mineralen zoals calciet is het mogelijk om bij mist of bewolking de stand van de zon in de gaten te houden. Vikingen gebruikten dit soort stenen mogelijk om tijdens hun zeereizen de noordelijke richting te bepalen.

Dat schrijft onderzoeker Gábor Horváth van de Eötvös Universiteit in Boedpast in het wetenschappelijk tijdschrift Philosophical Transactions of the Royal Society B.

Filter

De onderzoekers hebben aangetoond dat sommige doorschijnende stenen zonlicht op een speciale manier filteren. Door de stenen omhoog te richten en te draaien is het in theorie mogelijk om te bepalen waar het zonlicht vandaan komt, ook als het bewolkt of mistig is, zo meldt New Scientist.

Vikingen maken in hun sagen vaak melding van zogenaamde ‘zonnestenen’ die ze gebruikten om te navigeren in geval van mist of extreme bewolking. Archeologen vermoedden al langer dat het ging om doorschijnende stenen die een lichtpatroon veroorzaakten dat zeevaarders konden aflezen.

Tijd

Wanneer de Vikingen de stand van de zon hadden bepaald, konden ze met behulp van een zonnewijzer waarschijnlijk ook de tijd vaststellen.

Tot nu toe hebben de wetenschappers echter alleen theoretisch bewijs voor het gebruik van zonnestenen. Hoofdonderzoeker Horváth wil met een vervolgonderzoek bepalen of Vikingen in IJsland en Scandinavie ook daadwerkelijk de beschikking hadden over geschikte kristallen en mineralen om de stand van de zon af te lezen.

Vikingen namen Amerikanen mee naar Europa

‘Vikingen namen al Amerikanen mee naar Europa’

Uitgegeven: 17 november 2010 16:54
Laatst gewijzigd: 17 november 2010 17:15

AMSTERDAM – De Vikingen namen waarschijnlijk al lokale vrouwen uit Amerika mee ver voordat Columbus het continent ontdekte. Dat concluderen Spaanse wetenschappers op basis van een DNA-onderzoek in IJsland.

 

© Thinkstock

Columbus was in de vijftiende eeuw niet de eerste Europeaan die oorspronkelijke bewoners van het Amerikaanse continent meenam naar zijn thuisland.

Het is goed mogelijk dat de Vikingen al veel eerder vrouwen uit de ‘Nieuwe Wereld’ naar IJsland brachten. Dat melden wetenschappers van de Pompeu Fabra Universiteit in het wetenschappelijk tijdschrift  American Journal of Physical Anthropology.

Mitochondriaal DNA

De wetenschappers baseren hun theorie op mitochondriaal DNA van Amerikaanse afkomst dat is aangetroffen bij tachtig IJslanders. Mitochondriaal DNA wordt doorgegeven van moeder op dochter.

De genen suggereren volgens hoofdonderzoeker Carles Lalueza-Fox dat er al Amerikaanse vrouwen aanwezig waren op IJsland in de tijd van de Vikingen.

“Aangezien het eiland praktisch geïsoleerd was na de tiende eeuw is de meest waarschijnlijke hypothese dat het gaat om genen van een Amerikaanse vrouw die rond het jaar 1000 door de Vikingen is meegenomen uit Amerika”, verklaart Lalueza-Fox in de Britse krant The Guardian.

Twijfel

De wetenschappers hielden ook rekening met de optie dat de ‘Amerikaanse’ genen in IJsland arriveerden via Azië. Maar uit hun onderzoek blijkt dat het mitochondriaal DNA al aanwezig was op het eiland voor de achttiende eeuw, toen er voor het eerst Aziaten naar IJsland kwamen.

Nader onderzoek moet uitwijzen in welke eeuw het Amerikaanse DNA precies in IJsland opdook.

De theorie dat de Vikingen al contact hadden met de lokale bevolking van Amerika is niet nieuw. Veel legenden suggereren dat het volk uit Scandinavië het continent eerder ontdekte dan Columbus.

10e eeuws Vikinggraf in Polen

Vikinggraf in Polen roept veel vragen op

19-12-2011 – Reinoud Schaatsbergen

De Vikingkrijger stierf als twintiger een gewelddadige dood.De vondst van een Vikinggraf in een recentelijk blootgelegde begraafplaats in Polen roepen veel vragen op bij onderzoekers. In het duizend jaar oude graf werd een Vikingkrijger gevonden met een zwaard aan zijn zijde. Bovendien werden er talloze historische voorwerpen gevonden in andere graven die in verband lijken te staan met zowel de Vikingen als de heersers van Oost-Europa.

De onderzoekers die de begraafplaats bestuderen, zijn voornamelijk geïnteresseerd in één graf, waarin een Vikingkrijger werd gevonden die als twintiger een gewelddadige dood stierf. Het skelet werd gevonden met een gebroken kaak en op zijn schedel werd bewijs van meerdere snijwonden gevonden.

Projectleider Andrzej Buko van de Poolse Academy of Sciences geeft aan dat de overige voorwerpen die in het graf werden gevonden, erop wijzen dat de Vikingkrijger banden had met de eerste Slavische monarch van het gebied. Het skelet lag echter begraven met het hoofd naar het noorden en de voeten naar het zuiden, wat duidt op een Scandinavisch gewoonte.

Onder de Vikingkrijger lag het skelet van een vrouw van dezelfde leeftijd. Buko denkt dat zij tegelijkertijd is vermoord met de man, hoewel daar vrij weinig bewijs voor is gevonden. Naast de krijger ligt bovendien een tweede vrouw. Het is echter niet zeker of die op hetzelfde moment is vermoord.

Overige archeologische vondsten

In de graven werden ook voorwerpen gevonden, waaronder een amulet met een vogel erop afgebeeld. Volgens Buko kan het een familiemotief zijn, hoewel dat maar een gok is. Ook werd er een halsketting gevonden met zilveren en kristallen kralen met details die duiden op Slavisch ontwerp, naast 250 glazen kralen die stammen uit Constantinopel.

Ook werden er zwaarden en bijlen gevonden in de graven, maar deze zijn volgens Buko van Vikingse afkomst. Vikingen vervulden indertijd veelal de rol van huursoldaat voor koningen in hedendaags Oekraïne en waren de elitesoldaten van de Poolse leider Mieszko I in de tiende eeuw na Christus. Verder werden er nog munten, riemen, een weegschaal en hekstructuren gevonden.

Archeologen stuitten op de begraafplaats tijdens een onderzoek voor de bouw van een snelweg nabij het dorp Bodzia, ongeveer 150 kilometer ten noorden van Warsaw. De begraafplaats dateert terug tot de tiende of elfde eeuw. Het verslag van de vondst verschijnt in de laatste editie van het wetenschapsblad Antiquity.